Nachtmerrie in het bos: Het verlaten huis en de schaduwspin
Ik aanschouw een klein, vrijstaand huisje midden in het bos. Gras met pluimen groeit overal, zelfs op de plek waar ooit de vloer was. De muren zijn verdwenen; wat rest zijn vier palen die een dak dragen. De begane grond bestaat niet meer — de bosgrond loopt ononderbroken door, met al zijn begroeiing. Ik lig op de zolder. Staan kan niet; als ik dat doe, zak ik erdoorheen. Tussen de schots en scheef liggende planken kijk ik naar beneden, naar de bosgrond en het wuivende gras. In de hoeken van het dak krioelt het van de vogelspinnen en rafelige webben — geen wielwebben, maar achteloos gesponnen draden, als restmateriaal. Langzaam kruip ik richting een klein zolderraam. Ik blijf precies in het midden; aan weerszijden, waar het dak afloopt, zitten de spinnen. Ze bewegen niet naar me toe. Voorzichtig, altijd voorzichtig — één verkeerde beweging en ik stort naar beneden. Ik bereik het raampje. Het glas ontbreekt. Dan zie ik dat er planken op palen liggen, zodat ik op hetzelfde niveau als de z...