Post-apocalyptische stad onder water: vlucht voor de ondoden
Ik steek mijn hoofd door een kapot raam. Scherpe glaspunten zitten nog vast in het kozijn. Voorzichtig kijk ik naar beneden: tien verdiepingen lager stroomt de zee de stad binnen. De zeespiegel is gestegen; de hele stad ligt vijf meter onder water. Torenflats staan scheef als gewonde reuzen. Tussen de gebouwen zijn loopbruggen gelegd, van raam tot raam, geïmproviseerd door de weinige mensen die nog in deze ooit bruisende kustplaats zijn achtergebleven.
Als ik naar rechts kijk, langs wat ooit de boulevard was, zie ik in de verte enorme vlonders op zee. Vanaf die platforms stijgen onafgebroken vliegtuigen op. Een lange steiger van drijvende vlonders leidt naar het geïmproviseerde vliegveld. Mensen proberen zich ernaartoe te bewegen, opgejaagd door ondoden die hen op de hielen zitten.
Dat is onze bestemming. Daar moeten mijn kameraden en ik naartoe. We zullen ons door de hordes ondoden moeten manoeuvreren, ongezien blijven. Ze zijn niet dom: ze kunnen spreken, en sommigen dragen wapens.
Nu bevinden we ons op een lagere verdieping, in wat ooit een woonkamer was. De vloer helt omhoog richting een balkondeur. De woning staat half onder water; het is donker en stil. Zodra ik het droge gedeelte bereik, zwaait de balkondeur open. Het felle licht verblindt me — mijn ogen krijgen geen tijd om te wennen.
Dan ratelt er vuur.
Ik val achterover. Het laatste dat ik zie een grijnzend bleek hoofd. (Ben ik dat?)
Het licht dooft.
Zwart.
Als ik naar rechts kijk, langs wat ooit de boulevard was, zie ik in de verte enorme vlonders op zee. Vanaf die platforms stijgen onafgebroken vliegtuigen op. Een lange steiger van drijvende vlonders leidt naar het geïmproviseerde vliegveld. Mensen proberen zich ernaartoe te bewegen, opgejaagd door ondoden die hen op de hielen zitten.
Dat is onze bestemming. Daar moeten mijn kameraden en ik naartoe. We zullen ons door de hordes ondoden moeten manoeuvreren, ongezien blijven. Ze zijn niet dom: ze kunnen spreken, en sommigen dragen wapens.
Nu bevinden we ons op een lagere verdieping, in wat ooit een woonkamer was. De vloer helt omhoog richting een balkondeur. De woning staat half onder water; het is donker en stil. Zodra ik het droge gedeelte bereik, zwaait de balkondeur open. Het felle licht verblindt me — mijn ogen krijgen geen tijd om te wennen.
Dan ratelt er vuur.
Ik val achterover. Het laatste dat ik zie een grijnzend bleek hoofd. (Ben ik dat?)
Het licht dooft.
Zwart.
Reacties
Een reactie posten